Rudolpha Begeer: van kunstgeschiedenis naar kunstroof
Nadat Rudolpha Begeer haar studie kunstgeschiedenis aan het Ecole du Louvre in Parijs moet onderbreken vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gaat ze aan de slag in de Nederlandse kunsthandel. Hoe wordt Rudolpha medeplichtig aan kunstroof?
Deel van de collectie Mannheimer die is geïnventariseerd door Franz Kieslinger en Rudolpha Begeer
Oude bekende
De familie Begeer woont op buitenplaats Berbice, genoemd naar de kolonie waar de toenmalige eigenaren hun vermogen hebben vergaard. Voordat ze er wonen is het jarenlang de showroom van vader Carel, directeur van zilverfabriek Van Kempen & Begeer. Een van de mensen die over de vloer komt bij familie Begeer is de Oostenrijkse kunsthistoricus en handelaar Franz Kieslinger. Hij leert Rudolpha kennen wanneer ze vier jaar oud is.
Na de Anschluss wordt Franz lid van de nazi partij en werkt mee aan de arisering van Joodse kunsthandels en kunstcollecties. En na de Duitse inval in Nederland worden ook Joodse kunsthandelaren en verzamelaars in Nederland bedreigd. Onder meer Dienststelle Mühlmann houdt zich bezig met het vrijwillig of gedwongen aankopen van kunst van Joodse handelaren en verzamelaars. Franz werkt voor Dienststelle Mühlmann. Rudolpha wordt door Franz gevraagd om hem te helpen als zijn persoonlijke assistente. Samen trekken ze door bezet Nederland op zoek naar kunst voor het Führermuseum.
Mannheimer
Een van de collecties waar Dienststelle Mühlmann een oog op heeft laten vallen is de omvangrijke verzameling van de Duits-Joodse bankier Fritz Mannheimer. Hij zet in 1920 een Amsterdams kantoor van de Mendelssohn & Co. bank op en handelt in Duitse effecten en verkoopt Duitse staatsobligaties. Fritz heeft een goedgevulde wijnkelder, rookt graag sigaren en beschikt over een Rolls Royce met chauffeur. Ook verzamelt Fritz kunst, hij heeft aan het einde van de jaren 30 de grootste particuliere kunstverzameling van Nederland. Hij koopt echter meer dan hij zich kan permitteren. In 1931 zijn Fritz schulden zo hoog opgelopen dat hij zich gedwongen ziet de collectie over te dragen aan Mendelssohn & Co. Hij heeft echter wel uitonderhandeld dat de collectie in zijn huis mag blijven.
Hij koopt echter meer dan hij zich kan permitteren. In 1931 lopen zijn schulden zo hoog op dat hij zich gedwongen ziet de collectie over te dragen aan de bank Mendelsohn & Co als onderpand voor zijn schulden. Wel heeft hij uitonderhandeld dat de collectie in zijn huis mag blijven. Ondanks de afspraak dat Mannheimer zou stoppen gaat hij ook hierna door met verzamelen. Na zijn overleiden in 1939 wordt zijn boedel failliet verklaard. De collectie gaat over naar de bank die een grote vordering had op de boedel. Het in Nederland aanwezige deel van de collectie wordt via de bank door de aangewezen curator Korthals Altes in 1941 aan Dienststelle Mühlmann verkocht. Zo’n drieduizend kunstwerken worden in 1941 voor 5,5 miljoen gulden verkocht. Dit wordt betaald met in beslag genomen Joods geld. De kunst gaat naar Duitsland voor het toekomstige Führermuseum en wordt geïnventariseerd door Franz en Rudolpha. Na de Tweede Wereldoorlog wordt een groot deel van de Mannheimer collectie teruggehaald naar Nederland en komt terecht bij het Rijksmuseum. En het woonhuis van Fritz, Villa Protski, is tegenwoordig het kantoor van het Rijksmuseum.
Antiquair
Naast grote collecties houden Franz en Rudolpha zich ook bezig met antiquairs, ze gaan in november 1941 langs bij Firma S. van Messel in de Nieuwe Spiegelstraat 39 in Amsterdam. Ze nemen in eerste instantie niks mee, maar komen later terug. In februari 1942 nemen ze meerdere objecten mee. Deze zijn terug te vinden in de aangifteformulieren van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). De eigenaar van Firma S. van Messel, Abraham van Messel, doet aangifte van de vrijwillige verkoop van een groep oude tinnen soldaatjes, een porseleinen ovale doos met deksel, een lepel, een doosje en een doosje met op het deksel een galante scene in rood. Op de aangifteformulieren worden Franz en Rudolpha genoemd. Abraham kan aangifte doen omdat hij overleeft in onderduik. De objecten zijn niet teruggevonden.
De aanwijzingen en waardebepalingen die Kieslinger mij gaf noteerde ik en gaf deze later aan hem. Wat of er verder met deze aanteekeningen gebeurde en waar of deze naar toe gestuurd werden en of hier verder door andere instanties gebruik van werd gemaakt om de genoteerde voorwerpen te vorderen is mij onbekend.
Verhoor
Na de bevrijding gaat Rudolpha in dienst bij de Canadezen en werkt in België en Frankrijk. Ze wordt op 22 oktober 1946 verhoord in Antwerpen door de Politieke Opsporingsdienst (POD) die naar aanleiding van een brief van Stichting Nederlands Kunstbezig (SNK) onderzoek doet naar Rudolpha's rol in kunstroof in bezet Nederland. Ze benadrukt dat ze geen kwaad zag in het inventariseren van de Mannheimer collectie en de bezoeken aan antiquairs en hiervoor enkel een onkostenvergoeding kreeg. De secretaresse van Dienststelle Mühlmann verklaart dat Rudolpha tussen de 2000 en 2500 gulden betaald kreeg.
Voor zover te achterhalen blijft het bij een onderzoek en wordt Rudulpha niet veroordeeld voor haar medewerking aan kunstroof.
Franz vertrekt naar Venetië, ook hij wordt onderzocht maar niet bestraft.








