Geroofd, maar van wie?
We weten veel over Joodse verzamelaars en kunsthandelaren als Jacques Goudstikker en Fritz Gutmann van wie de collecties tijdens de oorlog zijn geroofd vanwege nazi documentatie en archieven van de oorspronkelijke eigenaren. Maar Joden uit alle lagen van de bevolking worden getroffen. Zij worden gedwongen hun spullen in te leveren bij de Liro en na hun deportatie wordt hun huisraad uit de huizen gehaald. Wie deze personen waren en wat hun verhaal is, is vaak moeilijk te achterhalen. Ook deze verhalen zijn onderdeel van de NK-collectie.
Zilveren suikertang die in 2000 anoniem is ingeleverd bij het NIOD samen met acht andere objecten. Uit onderzoek van de RCE blijkt dat de spullen waarschijnlijk van het echtpaar Isidore Voorzanger en Maria Voorzanger-Vigeveno zijn geweest
Inleveren bij de Liro
In januari 1941 worden alle Joden in Nederland verplicht zich te laten registreren. Vanaf maart 1941 worden Joodse bedrijven onder Duits beheer geplaatst. Deze beheerders kunnen de onderneming liquideren of verkopen. In augustus van dat jaar worden Joden op basis van de Eerste Liro-Verordening (VO 148/41) gedwongen hun geldelijke vermogens, waaronder effecten, onder te brengen bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) te Amsterdam. De bezetter doet het voorkomen alsof Liro het Joods vermogen beheert. Het werkelijke doel is echter totale onteigening.
In mei 1942 wordt de inleverplicht uitgebreid. Op grond van de Tweede Liro-Verordening (VO 58/42) moeten Joden vanaf dat moment ook andere vermogenswaarden bij Liro inleveren, waaronder 'collecties van alle soorten kunstvoorwerpen, voorwerpen van goud, platina of zilver, alsmede bewerkte en onbewerkte edelstenen, halfedelstenen en parels'. Vanaf dat moment stromen enorme aantallen goederen binnen.1
Bekijk de themapagina Verloren bezit: roof, handel en restitutie
Verkoop en teruggave
Bij Liro worden de ingeleverde objecten verwerkt door een speciale afdeling. De beste kunstwerken en antiquiteiten worden apart gehouden voor belangrijke Duitse kopers, met een voorkeursrecht voor onder meer de Dienststelle Mühlmann. De grote massa van de Liro-goederen komt uiteindelijk terecht op de Duitse en Nederlandse kunstmarkt.
Na de oorlog lijkt het archief van de Liro grotendeels vernietigd, waardoor teruggave van objecten wordt bemoeilijkt. Maar in 1997 wordt een klein deel van het archief teruggevonden.
Restitutie
In de loop van de jaren 2000 worden een aantal schilderijen en tekeningen gerestitueerd aan de oorspronkelijke eigenaar, zoals NK1399 van Eli de Vries.
Eli vlucht in 1939 naar Amerika en zijn kunstcollectie van 62 schilderijen wordt ondergebracht bij meubeltransportbedrijf De Gruyter in Amsterdam. In 1942 wordt de collectie op grond van de Tweede Liro-verordening door de nazi's in beslag genomen. Na de oorlog doet Eli aangifte van zijn 62 schilderijen en andere vermiste kunstvoorwerpen. De Nederlandse autoriteiten melden in 1948 dat ze geen van de verloren kunstvoorwerpen kunnen terugvinden: 'omtrent de door u tijdens de oorlog verloren geraakte kunstvoorwerpen deel ik u tot mijn leedwezen mede, dat bij onderzoek blijkt, dat geen der door u vermelde voorwerpen door ons zijn teruggevoerd worden.'
In januari 1949 komt een krijttekening van Josef Israëls terug naar Nederland, maar niemand kan deze tekening op dat moment koppelen aan de aangifte van Eli. Tot in 2004. Met de nieuwe archiefstukken van de Liro in handen is het Bureau Herkomst Gezocht erin geslaagd de koppeling te maken. De erfgenamen van Eli krijgen de krijttekening terug.
Net als de andere 61 schilderijen van Eli is nog steeds veel wat bij de Liro is ingeleverd vermist. Er zijn meer dan 2200 ingevulde formulieren van Joodse personen die schrijven dat ze spullen hebben moeten inleveren bij de Liro, die ze na de oorlog nooit hebben teruggevonden.
Voor altijd onbekend
Een deel van de objecten die bij de Liro binnenkomen, wordt ingebracht zonder dat de bezetter deze onder een specifieke familie of eigenaar registreert. Deze objecten worden vervolgens geregistreerd onder de noemer Herrenloses Judengut. Het exacte aantal objecten onder deze noemer is helaas onbekend. En daarmee blijven ook de verhalen van de personen die deze objecten hebben ingeleverd tot op heden onbekend.2
Anoniem ingeleverd
Een bijzonder verhaal uit de collectie zijn de negen stukken die via een andere route de NK-collectie binnen zijn gekomen. Niet door recuperatie na de oorlog maar pas in 2000. Dat jaar worden bij het NIOD anoniem een aantal voorwerpen ingeleverd: zes stuks zilvertafelgerei, drie Delfts blauwe borden en een schilderij. In de brief die bij de voorwerpen wordt afgegeven staat dat deze objecten oorspronkelijk eigendom zijn van een Joods echtpaar dat aan de Okeghemstraat in Amsterdam woont. De namen van het echtpaar weet de briefschrijver helaas niet meer. Ook geeft de brief geen aanwijzingen over wanneer deze stukken precies in diens bezit zijn gekomen of wat er met de objecten moet gebeuren. Het spijt de briefschrijver dat het zo lang heeft geduurd voordat de objecten zijn ingeleverd.
Geen familie over
De objecten worden daarom onderdeel van de NK-collectie. Onderzoek in de jaren 2022-2025 brengt herkomstonderzoekers op een nieuw spoor via de adresaanwijzing: waarschijnlijk zijn de spullen van het echtpaar Isidore Voorzanger en Maria Voorzanger-Vigeveno geweest. Over het echtpaar is helaas nauwelijks iets bekend behalve hun geboortedatum. Isidore is koopman in diamanten en van Maria is geen beroep bekend. Allebei worden ze ergens in 1943 op transport gezet naar Westerbork. Isidore overlijdt op 18 september 1943 in Westerbork terwijl Maria op 25 mei vanuit Westerbork op transport wordt gezet naar Sobibor. Op 28 mei is ze daar vermoord. Hetzelfde lot wacht al hun broers en zussen. Zelf hebben zij geen kinderen. Nabestaande onderzoek heeft tot nog toe geen resultaat opgeleverd.
Maria Voorzanger-Vigeveno
Amsterdam, 3 mei 1892 - Sobibor, 28 mei 1943
Gevangen in Kamp Westerbork
Getransporteerd naar Sobibor
Veilig bij buren of kennissen
Uit archieven van de ERR bij het NIOD is bekend dat op de Okeghemstraat op de nummers 35, 36 en 43 spullen zijn weggehaald ergens tussen 1942 en 1943. Misschien hebben Maria en Isidore dit zien gebeuren en op dat moment besloten om hun waardevolle bezittingen aan hun buren of kennissen in bewaring te geven. Welke intentie deze zogenoemde 'bewariërs' hebben gehad is niet met zekerheid te zeggen. De term verwijst naar mensen (meestal buren of kennissen) die bezittingen van gedeporteerde of ondergedoken Joden bewaren. De term wordt meestal gebruikt voor die mensen die na de oorlog deze bezittingen weigeren terug te geven aan de overlevenden of de nabestaanden. Of net zo is voor de objecten die mogelijk van Isidore en Maria waren, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Maar hun verhaal kan nu via de objecten in de NK-collectie wél verteld worden.
1. Roof& Restitutie p. 53
2. https://www.cultureelerfgoed.nl/actueel/weblogs/hulp-bij-herkomst/2023/hulp-bij-herkomst-herrenloses-juden-gut L. Gnade, 2023.







