Diederik Pieter van Overbeek is op 15 augustus 1923 in Rotterdam geboren. Hij volgt lager onderwijs, doet twee jaar ambachtsschool en behaalt een elektriciendiploma. Daarnaast volgt hij een jaar avondonderwijs in vaktekenen. Hij werkt tot 10 mei 1940 een jaar als draaier. Na het bombardement van Rotterdam verricht hij daar tot 7 juni 1940 opruimingswerk in de stad, samen met zijn joodse buurjongen Bernardus (Ben) Slier (1923-1976). Op 7 juni 1940 vertrekken Van Overbeek en Slier gezamenlijk uit Rotterdam met als doel Engeland te bereiken. Zij steken de Belgische grens over bij Turnhout en bereiken op 29 juni de Belgisch-Franse grens bij Charleroi. Via Bourges reizen zij door naar Parijs, waar ze halverwege juli arriveren. In de omgeving van Parijs werken zij ongeveer twee maanden op een afgelegen boerderij. Vervolgens reizen zij via Nantes, Bordeaux en Bayonne verder richting Spanje. De vermissing van Van Overbeek en Slier wordt op 14 en 15 juni 1940 in meerdere Nederlandse kranten gemeld. Van Overbeek wordt daarin als volgt gesignaleerd: "Diederik Pieter van Overbeek, 16 jaar. Signalement: circa 1,75 meter lang, gezonde gelaatskleur, donkerblond haar, bruine ogen, gave tanden, smal toelopende kin. Heeft een wrat ter hoogte van de rechter heup. Gekleed in een geruite kampblouse, khakikleurige broek, bruine sandalen en sokken van geitenhaar. Draagt een padvindersriem". Van Van Slier luidt het signalement: "Bernardus Slier, 17 jaar, die op 7 juni j.l. in gezelschap van Diederik Pieter van Overbeek, 16 jaar, de ouderlijke woning heeft verlaten. Hij is in het bezit van een gasmasker en een wit jasje met Rode Kruis-embleem, alsmede een band met de letters EHBO. Signalement: circa 1,80 meter lang, flink postuur, bleke gelaatskleur, zwart haar, donkere wenkbrauwen, donkerbruine ogen, gave tanden. Heeft een litteken aan het achterhoofd. Kleding: grijze plusfour, nieuwe bruine sandalen, bruingrijs geruite sportblouse, beige overhemd en een colbertjasje van Engelse stof. Draagt een riem waaraan een roodkoperen medaille is bevestigd van afstandsmars 02-09-1939". In de nacht van 30 september op 1 oktober 1940 passeren ze de Spaanse grens bij Pamplona. Ze worden geïnterneerd in verschillende Spaanse gevangenissen: Pamplona (twintig dagen) en Irun (één dag). Op 24 oktober 1940 volgt overplaatsing naar het concentratiekamp Miranda de Ebro. Eind december 1940 komen ze vrij en arriveren op 1 januari 1941 in Madrid. In Madrid besluit Slier, vanwege verlopen Portugese visa's, terug te keren naar Nederland. Van Overbeek probeert zijn reis voort te zetten, maar ondanks het verkrijgen van een Portugees visum begin mei 1941 krijgt hij door nalatigheid van de Nederlandse consul-generaal geen Spaans uitreisvisum. Na acht maanden in Madrid wordt hij opnieuw gearresteerd en van 9 tot 30 oktober 1941 opgesloten in de Seguridad. Daarna volgen overplaatsingen naar de gevangenis Torrijos (twee maanden) en Valladolid (één dag), gevolgd door een tweede internering in Miranda, waar hij ongeveer achttien maanden verblijft. Daar geeft hij zich door wanhoop gedreven bij de Duitsers op om naar Nederland terug te keren, maar daar komt hij gauw weer van terug. Al die tijd gebruikt hij de schuilnaam Jan Bonheur. Op 24 mei 1943 komt Van Overbeek vrij. Hij bereikt op 28 juni opnieuw Madrid en vertrekt op 15 juli 1943 naar Portugal, waar hij een dag later aankomt in Praia das Maçãs. Met de "Eastern Prince" wordt hij samen met zo'n twintig andere Nederlanders naar Engeland vervoerd. Op 4 oktober vertrekken ze uit Gibraltar, waarna ze op 16 oktober in Greenock (VK) aankomen. In Londen noteert zijn verhoorder: "Een eenvoudige, oprechte jongen. Zijn daad in het concentratiekamp Miranda kan hem door zijn jeugdige leeftijd en tegenslagen niet zwaar aangerekend worden. Is politiek betrouwbaar". Hij wordt geschikt geacht om op een scheepsreparatiewerf in de oorlogsindustrie te gaan werken, maar krijgt uiteindelijk een baan bij het grondpersoneel van de Royal Air Force. Slier wordt na zijn terugkeer in Nederland gearresteerd en opgesloten in het Oranjehotel in Scheveningen (waar zijn van verzetswerk verdachte vader Samuel in augustus 1941 wordt opgehangen), Kamp Amersfoort en Mauthausen. Hij weet uit Mauthausen te ontsnappen en vindt onderdak bij het gezin van zijn latere echtgenote. Kort na de oorlog legt hij zijn kampervaringen vast in een persoonlijk verslag, dat hij uitgeeft. Hierin kondigt hij een boek aan dat echter nooit verschijnt vanwege persoonlijke omstandigheden. Bron: Nationaal Archief
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders