Paul Peters is op 26 februari 1924 als Paul Polak in Balikpapan geboren als zoon van Dr. Z.P. Polak, die daar als chemicus bij Shell werkt. Enkele jaren later gaat het gezin naar Nederland, waar Paul eindexamen doet aan het Hilversums gymnasium. Na de capitulatie wordt zijn vader een paar keer gearresteerd. Als Joodse leerlingen van school gestuurd worden, organiseert hij met wat vrienden een protestactie. Ondanks alles haalt hij zijn eindexamen en gaat hij als 'half-jood' aan de Vrije Universiteit in Amsterdam scheikunde studeren. Hij wordt lid van dispuut Marnix. Hij raakt betrokken bij het verzet en regelt onderduikadressen en valse papieren, totdat hij in 1943 zelf moet vluchten. Via België, Frankrijk, Spanje, Gibraltar en Ierland bereikt hij op 16 maart 1944 per schip Liverpool. Onderweg heeft hij zijn naam veranderd in Paul Petit. In Engeland wordt hij aan Bureau Inlichtingen toegewezen. Hij leert parachutespringen en wordt marconist. Hij gebruikt dan de naam Paul Peters. Samen met Bram de Vos wordt hij in de nacht van 8/9 september 1944 bij Spanbroek in Noord-Holland gedropt om voor de eveneens gedropte Tobias (Tobs) Biallosterski als radiotelegrafisten te gaan werken. Hun opdracht is contact te onderhouden tussen de Raad van Verzet en Londen. In de weken na de capitulatie van de Duitsers richten Henk Veeneklaas, die de inmiddels gearresteerde Biallosterski is opgevolgd, Peters en De Vos in Amsterdam een orde- en afwikkelingskantoor op. Vanuit deze post weet de groep een eerste hersel van de essentiële voorzieningen in de stad te realiseren. Ook proberen de drie zo veel mogelijk wapens en explosieven die gedurende 1944-1945 boven Noord-Holland waren gedropt, te verzamelen en veilig te stellen. Na de bevrijding wordt hij naar Batavia gestuurd, waar hij getuige is van de Japanse capitulatie. Enkele maanden later is hij terug in Nederland. Hij zet zijn studie voort, maar stapt kort daarna over naar rechten. In 1948 wordt zijn naam officieel gewijzigd in Peters. In 1953 gaat hij als jurist bij Shell werken en woont de komende dertig jaren in Den Haag, Londen, Maracaibo en Caracas. In 1983 gaat hij met pensioen, maar hij blijft actief. Zijn belangstelling gaat uit naar internationale samenwerking met betrekking tot juridische zaken en in 1993 vervangt hij prof. Pieter Kooijmans in Leiden als deze minister van Buitenlandse Zaken wordt. Al tijdens zijn studie richten Veeneklaas, De Vos en hij met steun van de toenmalige premier Schermerhorn en van Louis Einthoven, hoofd van het Bureau Nationale Veiligheid, een stay-behind-organisatie op, genaamd O. Dit netwerk zou in het geheim allerlei activiteiten moeten verrichten om klaar te zijn als Nederland opnieuw bezet zou worden. Het is in 1992 opgeheven, toen er politieke commotie ontstond rond de Italiaanse stay-behind-organisatie Gladio. Peters was toe allang niet meer actief in het netwerk. Paul Peters heeft zes kinderen gekregen. Zijn moeder keert uit Dachau terug. Zijn vader heeft Auschwitz niet overleefd. Hijzelf is op 8 mei 2003 overleden. Bron:: o.a. J. Hooiveld, "De beginfase van de 'O'-tak van de Nederlandse stay-behind-organisatie" in: Militaire Spectator, juli 2020
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders