Edmond Solomon Chait (1912) sluit zich vroeg in de oorlog aan bij het verzet in Antwerpen. Hij werkt voor het illegale Committee for the Defense of Jews (CDJ) en brengt valse papieren, geld en voedsel naar ondergedoken Joden. Begin 1942 worden zijn moeder en zussen opgepakt tijdens een razzia en later gedeporteerd. Om zelf arrestatie te voorkomen, vlucht Chait met zijn halfbroer Bernhard naar Vichy-Frankrijk. Met valse Nederlandse papieren verkrijgen ze verblijfsvergunningen in Lyon. Ondanks deze documenten wordt Chait in augustus 1942 gearresteerd, maar dankzij de Nederlandse consul Maurice Jacquet komt hij vrij. Na zijn vrijlating helpt Chait als vrijwillig vertaler andere Nederlandse Joden in Lyon. Jacquet brengt hem in contact met Jean Weidner, die samen met zijn vrouw Elisabeth Cartier een ontsnappingsroute naar Zwitserland heeft opgezet. Chait sluit zich aan als koerier en gids en gebruikt daarbij de schuilnaam “Moen”. Hij wordt vaste koerier tussen Brussel en de Zwitserse grens en vervoert geld, documenten en lijsten van ondergedoken Joodse kinderen.. Vanaf de late zomer van 1943 breiden Weidner, Chait en Jacques Rens de ontsnappingslijn uit tot Nederland en Spanje. Het netwerk krijgt de naam Dutch-Paris. Ze werken samen met lokale verzetsgroepen in Brussel, Parijs en Toulouse. Dutch-Paris helpt Joden, Engelandvaarders, geallieerde piloten en andere voortvluchtigen om te ontsnappen naar Zwitserland of Spanje. Hoewel Weidner officieel leider is, neemt Chait evenveel beslissingen en reist hij voortdurend door bezet gebied. Hij vervoert microfilms voor de Nederlandse inlichtingendienst, documenten voor andere verzetsgroepen en grote sommen geld. Hij draagt nooit een wapen. Daarnaast begeleidt hij Engelandvaarders, onder wie Bram van der Stok en Gerrit Jan van Heuven Goedhart. In de Pyreneeën onderhandelt hij met gidsen en zoekt hij schuilplaatsen wanneer sneeuw de routes blokkeert. Omdat hij veel weet en risicovolle documenten bij zich heeft, bouwt Chait een eigen netwerk van veilige huizen en geheime routes. Dit stelt hem in staat arrestatie te vermijden wanneer in 1944 veel leden van Dutch-Paris worden opgepakt. Hij helpt bij de heropbouw van de lijn en ondersteunt ontsnappingen uit gevangenissen. Ook regelt hij in juli 1944 de vrijkoop van drie Nederlandse Joden uit kamp Noé. Chaits illegale reddingswerk eindigt als de bevrijding van België in september 1944 Dutch-Paris overbodig maakt. Van eind 1944 tot midden 1946 werkt hij samen met Weidner in de tijdelijke "Nederlandse Veiligheidsdienst" die in Parijs is gevestigd. De dienst heeft de bevoegdheid om Nederlandse collaborateurs die zich in België en Frankrijk hebben verstopt, op te sporen en Nederlandse verzetsstrijders in die landen op te sporen en te helpen. In 1947 keert Chait terug naar het familiebedrijf, dat in hout handelt. Na zijn overlijden op 8 februari 1975 wordt hij begraven op de Joodse begraafplaats in Rotterdam door zijn collega's van het verzet en hun kinderen.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders