Jacob (Jaap) Knol is op 6 mei 1912 op Texel geboren. Hij doorloopt zeven klassen van de lagere school en werkt tot 1932 als landbouwer op Texel. In 1932 dient hij als dienstplichtige in Leiden. Na een jaar keert hij terug naar Texel en werkt opnieuw als landbouwer tot de algemene mobilisatie op 29 augustus 1939. Hij wordt opnieuw opgeroepen en ingedeeld bij een onderdeel dat tijdens de oorlogsdagen actief is in Warmond en Sassenheim. Na de capitulatie wordt het regiment ontwapend en ondergebracht in een school in Delft. Op 29 mei 1940 keert hij terug naar Texel, waar hij tot april 1945 blijft werken. In 1941 komt hij via C.J. Kooger, districtleider van de ondergrondse, in contact met verzetswerk. Hij sluit zich in 1943 aan bij de KP onder leiding van dr. van Dommelen. De groep bestaat uit vier man: Van Dommelen, Klaas de Waard, Johannes Hildebrand en hemzelf. Op 31 december 1943 wordt Van Dommelen gearresteerd en via Vught naar Dachau gebracht Tot augustus 1944 blijft het verzetswerk beperkt, maar daarna saboteren ze ’s nachts met vijf ploegen van twee man twaalf dorsmachines om graantransport naar Duitsland te verhinderen. Tot deze ploegen behoren naast Klaas de Waard en hijzelf ook Remmert Hooijberg en Wim de Bloois In november 1944 beginnen de Duitsers razzia’s op Texel, waarbij 700 mannen worden opgepakt. Jaap duikt onder bij Kooger en blijft daar tot 7 april 1945. Een dag eerder is er onder de 800 Georgische krijgsgevangenen die in dienst van de Duitsers op Texel werken, een opstand uitgebroken. Jaap komt dan uit zijn schuilplaats en verzamelt op verzoek van Kooger 62 man, waaronder 20 vrijwilligers, om zich mogelijk bij de Russen aan te sluiten. Door gebrek aan wapens en contact moeten ze terugkeren. Als de gevechten blijven doorgaan, besluit de ondergrondse hulp uit Engeland te vragen. Omdat alle communicatie met dat land is verbroken, wil ze met een boot daarnaar oversteken. De keuze valt op de reddingsboot Joan Hodson. De schipper van de boot, Jan Bakker, vraagt hen eerst de onder het zand verdwenen rails uit te graven om de boot naar zee te kunnen brengen, ondanks het gevaar van Duitse beschietingen vanaf Vlieland. Met zes gewapende Georgiërs maken ze de boot klaar en graven de rails vrij. Naast Jaap Knol en Jan Bakker zijn de andere opvarenden Klaas van der Kooij Gzn, diens neef Klaas van der Kooij Jzn, Wim de Bloois, Cor Dros, Klaas Doornekamp, Remmert Hooijberg, Marinus Kooger, Jaap Westdorp en vier Georgiërs. De tocht naar Engeland begint, langs gevaarlijke batterijen en mijnenvelden. Dankzij het lawaai van Duitse beschietingen blijft hun motor onopgemerkt. Ze bereiken de Noordzee en verdelen de mijnenwacht. Het weer is mooi, maar de nachten zijn koud. Onderweg ontwapenen ze de Georgiërs die wapens hebben gesmokkeld, omdat de boot het Rode Kruis-teken draagt. Bij nadering van de Engelse kust geven ze lichtsignalen af. Een RAF-vliegtuig cirkelt boven hen en leidt hen met vetpotten naar een veilige haven. Na 26 uur op zee zetten ze voet aan land bij Wundesly. De ontvangst is hartelijk: warmte, eten en sigaretten bieden verlichting. Ze blijken door een mijnenveld te zijn gevaren. Diezelfde dag worden ze naar Londen gebracht en in quarantaine geplaatst. De Georgiërs blijven achter. Na enkele dagen te zijn verhoord, worden ze vrijgelaten en verblijven in Chester House in Londen. Ze vragen de overheid om hulp naar Texel te sturen, maar dat verzoek wordt geweigerd om de voedseldroppings niet te verstoren. Eind april ontmoeten ze koningin Wilhelmina en prinses Juliana. Die luisteren aandachtig naar hun verhalen en tonen grote belangstelling voor de situatie in Nederland. In 1946 worden de heren door koningin Wilhelmina ook op 't Loo ontvangen. Jaap overlijdt op 19 januari 1988.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders