George Albert van Dam Merrett is op 8 november 1916 in Amsterdam geboren. Bij het uitbreken van de oorlog woont hij aan de Parkweg 32 in Enschede. Zijn vader is in 1918 overleden ten gevolge van de Spaanse griep. Zijn moeder is met de toen nog kleine kinderen en een Franse gouvernante gaan reizen, vooral naar Frankrijk. Ze brachten veel tijd door in Biarritz. Ook ging zijn moeder veel naar Engeland, George en zijn zus Alice werden dan ondergebracht bij hun grootouders in Enschede, zodat ze daar naar school konden gaan. Zijn moeder is hertrouwd in 1921, waarna George en Alice mee naar Engeland werden genomen. In 1937 verhuisde het gezin naar zuid-Frankrijk. Als hij 17 jaar is, overlijden zijn oom Julius (moeders broer) en tante Anna in Enschede. George moet nu snel opgeleid worden om het familiebedrijf, de Twentsche Textiel Maatschappij (Tetem), te leiden. Hij gaat 3 jaar naar de Hogere Textiel School en volgt de Fabrikanten-opleiding. Het eerste jaar woont hij bij de familie Tjerkstra, zodat hij snel Nederlands kan leren. Als de echtgenoot van Alice in 1935 dodelijk verongelukt, trekt hij bij haar in totdat zij na 2 jaar hertrouwt met Ernst Krudop, die dan aangesteld wordt als directeur van Tetem. George gaat stage lopen bij wolfabrikanten in Frankrijk en Amerika. Hij komt in 1936 terug met de Nieuws Amsterdam en gaat in militaire dienst. Vanaf de mobilisatie in 1939 is hij in actieve militaire dienst. Als hij net na de Duitse inval door Wassenaar rijdt, wordt hij door Duitsers bij restaurant De Kieviet aangehouden om hen naar den Deyl te brengen. De Duitsers worden beschoten en George ontsnapt. Op 14 mei 1940 moet hij een vrachtwagen van Haarlem naar de Alexanderkazerne in Den Haag brengen en ziet hij de rookpluimen van het bombardement van Rotterdam. Hij moet terug naar Haarlem om gedemobiliseerd te worden, maar rijdt naar Enschede. Onderweg stuurt hij een briefkaart naar zijn commandant met de mededeling dat soldaat Van Dam is omgekomen. Op een septemberochtend in 1941 wordt hij gewaarschuwd dat de Duitsers op weg zijn naar zijn ouderlijk huis. Hij verstopt zich bij de buren en maakt plannen om naar Engeland te gaan. Op een onderduikadres in Warmond krijgt hij 1000 dollar en een gouden horloge mee om eventueel te gebruiken bij arrestatie onderweg. Via een verzetsgroep komt hij in contact met "Wim". Samen vertrekken ze medio oktober 1941 om de vluchtroute naar Zwitserland te controleren, maar in Brussel horen ze dat de route verraden is, waarop "Wim" teruggaat om dat te melden. George reist alleen verder. Met drie uit Duitsland ontsnapte Franse militairen en een gids gaat hij de demarcatielijn over. Ze bereiken Poligny, waar ze op een trein naar Lons-le-Saunier in de Jura stappen. Daar neemt hij afscheid van de Fransen en neemt de volgende dag de trein naar Lyon. Op het perron ziet hij Hans Knoop. Ze reizen de volgende zes maanden samen. Eerst zitten ze enige tijd in Fort Chapoly, waar ze contact opnemen met monsieur Jacquet, de Nederlandse consul, en zijn secretaris Sally Noach ontmoeten. Op 8 november ontsnappen ze. Ze kopen een taart om de verjaardag van George te vieren. Sally Noach regelt een reisvergunning om naar Toulouse te gaan. In Perpignan maken ze contact met Joop Kolkman, die hen in diens opvanghuis in Le Soler onderbrengt. George krijgt het verzoek mee te helpen met het opzetten van een ontsnappingsroute van Brussel naar Marseille. Hij moet hiervoor met verschillende berichten en 10.000 gulden terug naar Nederland. Dat gaat vrijwel probleemloos. Op 18 april gaat hij naar Haarlem, waar hij de ouders en verloofde van Knoop kan vertellen dat het goed met Hans gaat. Het geld brengt hij naar Job van Niftrik. Die avond passeert hij met diens hulp de grens en reist hij door naar Perpignan. Op 10 mei trekken George en Hans met enkele Engelsen de Pyreneeën in. Drie dagen later zitten ze in de trein naar Barcelona. Na enkele dagen kan hij naar Madrid reizen. Daar krijgt hij binnen twee dagen een vals paspoort. Met de trein gaat hij naar Gibraltar en door een kruiser wordt hij naar Greenock (Schotland) gebracht. Na verhoor op de Patriotic School wordt hij afgekeurd als vlieger wegens gebrek aan lengte. Hij wordt toegewezen aan de Prinses Irene Brigade en vervolgens aan de Marine Luchtvaartdienst (MLD); hij vliegt als boordschutter op middelzware bommenwerpers van het 320 Dutch squadron RAF. Ook krijgt hij een 6-weekse opleiding tot air gunner/navigator in Evanton, Schotland. Op 15 november 1942 gaat hij naar Burchem Newton, waar hij gunner bij het Nederlandse 320 squadron wordt. Op 16 april 1945 mag hij even landen op het reeds bevrijde vliegveld van Twente en zijn familie bezoeken. Op 15 juni is zijn laatste vlucht bij 320 squadron. Op 1 maart 1946 wordt hij gedemobiliseerd. Hij overlijdt op 9 september 2004 in Enschede. Hij heeft zijn herinneringen - in het Engels - in zijn 80ste levensjaar beschreven in "Memorabilia".
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders