Cornelis Antonius Geurts (24), geboren op 9 mei 1916 in Breda, woont bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op de Thorbeckelaan 477 in Den Haag en is adjunct-commies bij het ministerie van Defensie. Na het gymnasium heeft hij een opleiding gevolgd aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waarna hij daar ging werken bij de Amsterdamsche Bank. Tijdens de inval van het Duitse leger in Nederland verdedigt Cees als tweede luitenant bij de infanterie een stelling rond Deurne. In het zicht van de capitulatie trekt hij zich met zijn compagnie terug naar het Noord-Franse Duinkerken. Daar schepen zij zich in op het Franse schip Pavon, maar op zee worden ze aangevallen door Duitse jagers. Met dertien anderen belandt Cees in zee, een reddingsboot brengt hen aan land bij Boulogne-sûr-mer. Hij wordt als krijgsgevangene behandeld, maar mag weer gaan werken op het ministerie van Defensie, dat door de Duitse bezetter inmiddels is getransformeerd tot ‘afwikkelingsbureau’. Op 16 augustus ’41 wordt hij op zijn verzoek op non-actief gesteld. Tien dagen later neemt hij de trein richting Frankrijk, met papieren van het arbeidsbureau waaruit blijkt dat hij daar als bouwvakarbeider en ‘Frontarbeiter’ voor het Duitse bouwbedrijf Organisation Todt aan de slag moet op een Duits vliegveld. Hij gaat inderdaad aan het werk, maar meldt zich na twee dagen ziek. Het is voor hem de kans om de trein te pakken en via Tours en Bourges door te reizen naar Néronde. Bij het dorp Sanscoin passeert hij de demarcatielijn. Tijdens een kort verblijf in hotel St. Joseph krijgen Franse gendarmes hem in de gaten; hij moet zich van hen om de twee dagen melden bij het lokale gezag. Te voet zet hij zijn tocht voort en in een dorp neemt hij een trein die hem via Chateauroux en Toulouse naar Marseille brengt. Vanwege gebrek aan geld moet hij echter terug Toulouse, waar hij zich meldt bij een werkkamp. Daar verneemt hij dat zijn moeder ernstig ziek is. Met 500 francs van het Nederlandse consulaat reist hij terug naar Nederland. Zijn moeder blijkt niet zo ziek als men dacht. Op 14 december 1941 neemt Cees opnieuw de trein. Via Antwerpen, Brussel, Givet, Nancy en Belfort bereikt hij Besançon. Vandaar steekt hij in een grote groep Fransen de demarcatielijn over. In Mont-sûr Vaudan pakt hij bus en trein naar Toulouse. Op 15 januari ’42 is hij terug in Marseille, maar raakt er ontmoedigd door de volgens hem gebrekkige houding van D.F.W. van Lennep, de vertegenwoordiger van het Nederlandse kantoor voor hulp aan vluchtelingen. Hij besluit voor verdere hulp naar Zwitserland te gaan. Via Valence, Grenoble en Annemasse passeert hij bij het seminarie Villegrand de Zwitserse grens. Te voet bereikt hij Genève. Daar neemt hij de trein naar Bern en meldt zich na een overnachting in hotel Simplon bij het kamp in Cossonay. Eind september ’42 verlaat Cees Zwitserland met een visum voor Spanje. Daarmee bereikt hij op 30 september Bilbao. Met het schip Cabo de Buena Esperanza arriveert hij op 25 oktober op Curaçao. Vandaar vertrekt hij op 15 november met het schip Empire Spencer richting Engeland. Het schip wordt echter op 7 december bij IJsland getorpedeerd, maar de reddingsboot Perth pikt hem uit zee op. Cees Geurts bereikt Engeland op 14 december 1942, na ruim een jaar onderweg te zijn geweest. In Londen noteert zijn ondervrager Oreste Pinto over hem: ‘Een intelligent jongmensch, rustig en vastberaden.’ Cees neemt dienst bij de Prinses Irene Brigade.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders