Antonius Petrus Adrianus Berbée is op 20 april 1920 in Voorhout geboren als 14de en jongste kind van bloembollenkweker, schilder en restauranthouder Koos Berbée en Wil de Kort. Zijn ouders wonen aan de Torenlaan. Zijn moeder overlijdt kort na de bevalling, waarna hij tot zijn 15de bij zijn oom Piet Berbée en tante Krijntje Romijn in Noordwijk woont. Als de oorlog uitbreekt, is hij nog een maand te jong om in militaire dienst te gaan. Op 10 mei 1940 wordt hij wakker van het lawaai van de Duitse vliegtuigen. Enkele dagen later ziet hij de donkere wolken van brandend Rotterdam. Hij helpt het verzet. Zijn eerste klus is in augustus 1940. Hij moet een kaart maken van het vliegveld in het Langeveld. Er staan Duitse dummy-vliegtuigen om de geallieerden te misleiden. Op 1 november bezoekt hij zijn net getrouwde zuster Juul, die in Lisse woont. Net die avond wordt Lisse gebombardeerd, ook haar huis wordt getroffen. Op 22 mei 1941 probeert hij vanuit Katwijk in een bootje met Frans Bemelman (1918) en Jacobus ‘Kees’ Vreeburg (1921) de oversteek naar Engeland te maken. Het Engelse schip dat hen zou ophalen, komt niet opdagen. Na 24 uur begint het te stormen. Dat overleven ze, maar de volgende ochtend worden zij onderschept door de Duitse marine en via IJmuiden naar de ‘Wehrmachsgefängnis’ in Scheveningen (het 'Oranjehotel') gebracht. Zijn Joodse celgenoot heet Josua, Hij is in 1934 van Berlijn naar Amsterdam gevlucht. Pas na zes weken wordt hij verhoord. Hij doet alsof hij geen Duits spreekt, dus er komt een tolk bij. Het verhoor gaat vier weken door en wordt steeds ruwer, maar dan stopt het. Op 15 november wordt hij met Frans en Kees door drie mariniers berecht. Tom krijgt drie jaar, omdat hij de boottocht heeft georganiseerd, Frans krijgt twee jaar, en Kees is de jongste, krijgt zes maanden gevangenis (met aftrek van voorarrest) en mag naar huis. De nieuwe gevangenisdirecteur, Hans Joch, vindt het goed dat in december extra eten wordt gebracht (chocolade en koek). Op 3 januari 1942 wordt Tom ongeveer 100 gevangenen op transport naar de gevangenis in Kleef gezet, waar hij op de vierde verdieping een cel alleen krijgt. Een maand later wordt hij overgeplaatst naar Lüttringhausen. Ze moeten kampkleding dragen en krijgen een nummer. Hij moet in een naaiatelier gaan werken. Hij valt enorm af, en wordt met hulp van de kamparts overgeplaatst naar het Bauernkommando. Hij verhuist naar een andere cel, waar hij Heinrich als celgenoot heeft. Met 10 gevangen werkt hij nu op het boerenbedrif van Frau Halbach. Eindelijk krijgt hij weer behoorlijk eten. In oktober 1942 wordt hij op een landgoed te werk gesteld, in maart 1943 weer op een boerderij. Begin juni moet hij puin ruimen in Wuppertal, dat enkele dagen eerder is gebombardeerd. In juni 1943 krijgt hij een andere celgenoot, Jurjen. Op 6 februari 1944 wordt hij, drie maanden te vroeg, vrijgelaten. Hij mag douchen en krijgt zijn eigen kleren terug. Hij vertrouwt het niet meteen: hij is bang dat de Duitsers hem neerschieten als hij de poort uitloopt en de gevangenen wijsmaken dat hij wilde ontsnappen. Maar tot zijn verbazing mag hij écht vertrekken: hij krijgt zelfs 35 Mark aan salaris mee en een treinkaartje naar Haarlem. Hij neemt de trein naar Amsterdam en gaat naar oom Piet Berbée in de Schoonoordlaan in Schoonoord. Als hij aanbelt, doet zijn nicht Cor open. Op 12 december 1944 trekt hij in bij zijn broer Adriaan aan de Zandsloot in Sassenheim. Hoewel Adriaan en Anna 10 kinderen hebben, krijgt Tom een eigen kamer. Daar maakt hij de bevrijding in Sassenheim mee, en de dropping van witte broden. Hij blijft er op verschillende adressen wonen totdat hij in augustus 1954 naar Australië emigreert. Daar trouwt hij op 24 april 1965 met de tien jaar jongere Australische Eileen Mary Rijan (1930). Tom Berbée is op 20 juli 2000 overleden.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders