Jack Charles Bottenheim (23, geboren in Veenendaal) woont bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in de Kasteelweg 39 in Doorwerth, gemeente Renkum. In 1936 heeft hij bij verschillende textielfabrieken in Engeland gewerkt en een aantal cursussen in textiel gevolgd aan het Manchester Institute of Technology. In 1938 werkte hij korte tijd bij de firma ‘Etablissement Kuhlmann’ in Parijs. Daarna werkte hij bij de ‘Veenendaalsche Stoomspinnerij en Weverij’, waarvan zijn familie grootaandeelhouder en zijn vader directeur was. Na in 1935 te zijn afgekeurd voor militaire dienstplicht heeft Jack zich in 1939 als vrijwilliger gemeld bij het korps motordienst en in het ziekenhuis van het derde legerkorps in Geffen. Tot mei 1940 volgde hij er een officiersopleiding. Tot begin november 1943 is hij werkzaam bij de VSW. Zijn vader is inmiddels geïnterneerd in Semarang (Java), waar de VSW de dochteronderneming ‘Djantra’ heeft. Jack helpt samen met zijn toenmalige verloofde diverse Joodse gezinnen en studenten aan onderduikadressen. Als de Duitse bezetter in de herfst 1942 personeelsleden van de VSW ronselt voor werk in Duitsland helpt hij hun met (valse) identiteits- en rantsoenkaarten; met een aantal van hen heeft hij op de lagere school in Veenendaal gezeten. Na een waarschuwing vanuit het personeel dat een verrader op het punt staat de Duitsers over zijn illegale activiteiten te informeren vertrekt Jack op 12 november 1943 met vervalste SD-papieren, hem door Henri Scharrer verstrekt, in de Wehrmacht-trein naar Parijs, zogenaamd voor zaken. Vandaar reist hij in een groepje Nederlanders, onder wie ene Tip Visser, twee Fransen en een Canadees de Pyreneeën over. Via Esterie, Lerida en Barcelona bereikt hij Madrid. Via Portugal arriveert hij in Engeland op 16 maart 1944. Bij het bureau Special Operations Executive (SOE) volgt hij een opleiding tot geheim agent. Volgens mijn zus is hij in 1944 achter de linies gedropt in oost-Frankrijk met een opdracht van de Britse geheime dienst, sectie MI9. Zijn functie tot 1946 was liaison officer. De ondervrager in Londen noteerde over Jack: ‘Maakt een intelligente indruk. (…) Deze man is een goudmijn wat betreft technische informatie op textielgebied.’ In Engeland zou Jack dreigbrieven van de Duitser Alexander Pohl hebben ontvangen. Pohl zou door Jack in het ootje zijn genomen vanwege de verstrekking door de SD van papieren waarmee hij naar Frankrijk kon reizen. Na zijn aankomst in Engeland is Jack met Lex Gans, Jan Hagen, Willem van den Ende, Henry Wins, R. de Vries en Karel Mans op het Nederlandse consulaat berispt vanwege ‘misdragingen’ in Spanje. Tijdens het lange wachten op vervoer naar Engeland zouden zij zich schuldig hebben gemaakt aan alcoholmisbruik en straatschenderij, waarvoor ze in Spanje in de gevangenis zijn beland. Consul-generaal L.A. Gastmann noteert op 24 februari 1944 over hen: ‘Het feit heeft mij zeer teleurgesteld. Ieder die hier aankomt houd ik de ernst der tijden en de verantwoordelijkheid voor die op hen rust, in het bijzonder op vreemde bodem, en met het oog op hun lotgenoten.’ Er is echter ook een andere versie van dit verhaal: Jack had zich onthouden van de confrontatie, werd vrijgelaten door de politie en haalde de trein naar Portugal. Jack is getrouwd met Caryl Rosemary Baring-Gould, die eveneens was verbonden aan MI9. Hij overleed op 26 april 1972 en werd begraven in het familiegraf op de Algemene Begraafplaats De Munnikenhof in Veenendaal.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders