Jan Carel Elias baron van Lynden werd op 23 oktober 1887 geboren. Hij trouwde in 1914 met Maria Johanna de Clercq en kreeg drie zonen en een dochter. Hij was directeur van de Rijksgebouwendienst, de eerste ondervoorzitter van het Nederlandse Roode Kruis en grootmeester van het huis van koningin Wilhelmina. Hij woonde op Alexanderstraat 4 in Den Haag en heeft twee aangrenzende huisjes in Veere gekocht, De Swaen en De Roose. Nadat hij in maart 1941 zijn functie heeft neergelegd, gelijktijdig met Trip (dir. Nederlandsche Bank en fungerend Minister van Financiën), duikt hij onder bij juwelier Paulus in Den Haag. Hij verzamelt inlichtingen maar op 6 mei 1942 wordt hij gewaarschuwd dat hij gearresteerd zal worden. Toen de Duitsers hem op de Alexanderstraat kwamen halen, was er alleen een dienstbode. Hij stelt zich beschikbaar om berichten naar Frankrijk te brengen, en steekt zelfs een paar keer de demarcatielijn over. Hij wordt ziek en wordt in Amsterdam geopereerd. In juli 1942 vraagt de Minister-President hem naar Londen te komen. Hij noemt zich Carel Meiboom en bereikt Toulouse, maar in de Pyreneeën wordt de groep gearresteerd. De Gestapo in Luchon slaat vier tanden uit zijn mond, en stopt hem in een donkere kelder, waar de vloer onder water staat en nog twintig gevangenen zitten. Na drie dagen wordt hij naar de gevangenis van St Michel in Toulouse gebracht. en twee maanden later wordt hij naar de Cherche-Midi gebracht, de oudste gevangenis van Parijs. Twee maanden later wordt hij naar het Oranjehotel in Scheveningen overgeplaatst, daarna naar Haaren en dan naar Utrecht. Daar wordt de doodstraf geëist wegens spionage en levenslang tuchthuisstraf voor hulp aan de vijand maar het vonnis luidt 6 jaar tuchthuis omdat hij 'kon aantonen' dat hij zijn vrouw en dochter in Spanje ging bezoeken. Hij beweert sinds zijn operatie nog last van zijn buik te hebben en belandt in de gevangenisafdeling van een groot ziekenhuis in Amsterdam en later in Apeldoorn. Na vier maanden, op 11 februari 1945, ontsnapt hij naar Amsterdam, waar hij zijn oudste zoon Carel ziet. Hij gaat naar Haarlem waar hij zijn derde zoon, Frank, weer ziet. Zijn tweede zoon, Diederic van Lynden (1917-1990), zat bij de marine. Hij was een van de officieren die weigerden de erewoordverklaring te tekenen. Hij ontsnapte uit de trein van Colditz naar Stanislau maar werd later weer gearresteerd en terug naar Colditz gebracht. Diederic zag zijn vader weer eind juli 1945, toen de Hr. Ms. Heemskerck als eerste grotere oorlogsschip in Amsterdam afmeerde.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders