Antonie (Anton) Joseph Philip de Haseth Möller is op 25 november 1916 op Curaçao geboren. Hij heeft een Curaçaose vader, die in Amsterdam medicijnen heeft gestudeerd, en een Nederlandse moeder. Anton komt, zoals veel jongens van de Antilliaanse bovenlaag, voor zijn middelbare school naar Nederland. Hij gaat twee jaar naar het Amsterdams Lyceum, doet eindexamen gymnasium-β op het Nederlands Lyceum in Den Haag en in 1934 rechten in Leiden studeren. Hij roeit in 1935 bij Njord en neemt al gauw na de capitulatie deel aan het studentenverzet. Op de verjaardag van zijn moeder, probeert hij in IJmuiden vergeefs vervoer naar Engeland te krijgen. Het krioelt er van de mensen, veelal Joden, maar de schepen raken overvol. Dan gaat hij naar Katwijk. Hij belt wat vissers wakker, maar niemand wil hem overvaren. In de zomer van 1940 koopt Anton met Erik Michielsen, Jean Mesritz en ene Joost een tweetal kano’s. Ze verven de kano’s in een onopvallende kleur en maken ze met stevige dwarslatten aan elkaar vast. Ook bevestigen ze een buitenboordmotor aan de rechter kant. Verder worden 4 Edammer kazen en 80 repen chocolade verzameld. Het plan gaat niet door als Erik Hazelhoff Roelfzema, een studiegenoot van Michielsen, een ander plan voorstelt. Plan 2 betreft het kapen van de SCH107, met medeweten van schipper Van der Zwan. Als blijkt dat er twee Duitse V-mannen meegaan, gaat ook plan 2 niet door. Plan 3 lijkt goed te gaan. De twee Erikken gaan met Anton Haseth Möller, Jean Mesritz en Carel Kranenburg tussen Noordwijk en Noordwijkerhout door de branding, maar daarna komt er zoveel water in het bootje, dat ze terug gaan. Plan 4 is weer met de dubbele kano-constructie. Anton, Carel en Jean lopen met de dubbele kano door de duinen, maar er zijn teveel Duitsers. Ze gaan weer terug. In maart 1941 doet Anton een volgende poging. Dan vertrekt hij met Charles Lungen, een verdienstelijk voetballer bij de Amsterdamsche Football Club (AFC) die in 1937 zelfs voor het Nederlands elftal heeft gespeeld. De vader van Charles woont in Turnhout, dus dat is een veilig adres om te overnachten. Vandaar gaan ze naar Saint-Ghislain, net voor de Franse grens. Daar horen ze dat de kans uiterst klein is om door Noord-Frankrijk te reizen, waarna ze naar Nederland teruggaan. Door deze mislukte poging kan hij afstuderen. In juni 1942 probeert Anton nogmaals naar Frankrijk te gaan, maar om dezelfde reden komt hij weer terug. In 1943 zijn de omstandigheden anders. Anton moet, als reserveofficier, in juni de loyaliteitsverklaring ondertekenen. Hij weigert en gaat via Turnhout naar Brussel. Net voor de grens stapt hij uit de trein waarna hij door de bossen naar Frankrijk loopt. Met de trein gaat hij via Charleville naar Prijs. In Parijs wordt hij opgewacht door een vriendin, Jules Issbrücker, die hem naar zijn vriend/gastheer brengt, graaf Charles d'Orléans. Daar krijgt hij valse papieren en wordt hij met een vrouwelijke passeur in contact gebracht. Zij zal hem naar St. Jean de Luz brengen en overgeven aan een passeur om de tocht door de Pyreneeën te maken. Helaas eindigt deze treinreis in de gevangenis van Biarritz. Na twee maanden volgen overplaatsingen naar het Fort van Hâ bij Bordeaux en het gevangenkamp Royallieu in Compiègne. Daar treft hij Engelandvaarders Jan de Graeff, George Hinze, Kuipers von Lande en Jacques van Putten aan. Kuipers overlijdt in dat kamp en op 28 oktober worden bijna 1000 gevangenen, w.o. 29 Nederlanders, op transport gezet naar Buchenwald, waar ze op 30 oktober aankomen en waar hij zijn voormalige leermeester ontmoet, prof. Ben Telders (1903-1945). Telders raadt hem aan niet bekend te maken dat hij is afgestudeerd en niet te vermelden dat hij reserveofficier is en een dubbele naam heeft. Hij wordt tewerkgesteld in een bijkamp in Weimar. Na een bombardement op het kamp op 9 februari 1945 probeert hij te vluchten. De vrijheid duurt nog geen 24 uren, hij wordt naar Weimar teruggebracht waar hij de komende twee weken blindgangers moet opgraven, een zgn Himmelfahrt Kommando. Op 11 april 1945 wordt het kamp bevrijd door een onderdeel van het leger van generaal Patton. Op 6 augustus 1945 komt hij in Dover aan. Hij werkt na de oorlog bij de krijgsraad in Engeland en schrijft in november 1945 in Londen zijn verslag. In 1948 gaat hij terug naar Curaçao, waar hij griffier van het gerecht wordt en twee jaar later substituut-officier van Justitie. Van 1955-1957 is hij plaatsvervangend rechter in Rotterdam, vanaf 1962 in Amsterdam en in 1963 rechter in Haarlem.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders