Jacobus (Jacques) Broeders
Rotterdam, 28 april 1924 - locatie onbekend, datum onbekendBROEDERS (Jacobus, roepnaam Jacques), geboren te Rotterdam op 28 april 1924. Hij woont in 1944 met het ouderlijk gezin in de Rotterdamse wijk Bloemhof, op het adres Dahliastraat 24b. Op 10 november 1944 gaat Jacques vroeg van huis, naar zijn werk als werkplaatsadministrateur bij Ford Automobiel Industrie Rotterdam in de buurt van de Coolsingel. Maar hij wordt tot twee keer toe tegengehouden. Bij de tweede keer, op de Lange Hilleweg, weet hij weg te rennen en krijgt hij in de Hortensiastraat een schuilplaats. Zijn geïnformeerde moeder is zeer bezorgd over haar enig kind, op sommige vluchters al is geschoten, en komt naar Jacques toe en ze weet hem te bewegen zich te melden. Hij moet naar het Feijenoord Stadion en bij het vertrek krijgt hij van zijn vriendin een tas die zijn ouders hebben gevuld met een deken, kleding, bestek en eten en drinken. Met een groep onbekenden moet Jacques naar de Koningshaven, waar de mannen als vee in het ruim van een rijnaak worden gedreven. Het ruim is bedompt en vervuild, heeft een hoge luchtvochtigheid en biedt de mannen weinig bewegingsruimte. Door de duisternis, de dreiging van Engelse bommenwerpers en de onwetendheid wat er gaat gebeuren zijn de mannen geprikkeld en angstig. Sommigen proberen de stemming op te vrolijken met moppen en liedjes. Om 16:00 uur vertrekt de rijnaak en al snel is merkbaar dat de Duitse stuurman niet goed kan varen. In Amsterdam overnachten de mannen in een loods van de KNSM. In een andere loods komt Jacques mannen uit de Dahliastraat tegen en hij sluit zich bij hen aan. Via het IJsselmeer komen de mannen in Kampen aan. Na lang wachten worden ze ontscheept door agressieve Duitse SS-troepen en horen de mannen het schot waarmee een joodse man wordt doodgeschoten. De bevolking wordt op afstand gehouden, het Roode Kruis mag eten uitdelen. Bij de Van Heutzkazerne worden de mannen in een grote en overvolle paardenstal ondergebracht. Na een zware nacht gaat het transport, in een overvolle coupé, per trein verder. Bij Bentheim is de hoop op tewerkstelling in Nederland vervlogen en in Lehrte sluit Jacques zich aan bij een twintigtal vaklui, waaronder een aantal automonteurs. Deze groep gaat per trein verder en komt, via Hildesheim en Goslar, op 17 november 1944 aan in Langelsheim. Dan moeten de mannen nog een uur lopen, in de duisternis en natte sneeuw. Tegen 22:00 uur bereiken zij verkleumd en uitgeput het Lager in Wolfshagen. De mannen moeten aan het spoor werken, maar op de eerste werkdag meldt Jacques zich ziek, hij zegt t.b.c. te hebben. Dit levert uitstel op van zo’n 14 dagen, want pas dan stelt de arts vast dat van t.b.c. geen sprake is en dat Jacques volledig kan werken. Maar wanneer zijn gereedschap door een Pool blijkt te zijn ingenomen, wordt Jacques een soort huismeester van het schaftlokaal. Begin februari 1945 moet Jacques met drie andere Rotterdammers naar Goslar om een Fremdenpass op te halen. Zij gaan tevens naar het Arbeidsbureau met het verzoek om passende arbeid en zo worden zij als automonteur tewerkgesteld bij autowerkplaats August Bunke in Goslar. Op 10 februari 1945 ontvangt Jacques een brief van zijn ouders, waarin onder meer staat dat zijn vriendin ernstig ziek is door difterie. Een week later krijgt hij ernstige keelpijn en meldt hij de arts dat een familielid in Rotterdam is getroffen door difterie. Daarop wordt hij direct in quarantaine geplaatst op een kinderafdeling van het plaatselijk ziekenhuis, met louter difteriepatiëntjes. Hij verblijft daar vier weken, heel comfortabel, en bouwt een vriendschappelijk band op met een diepgelovige arts uit Litouwen. Deze arts schrijft een Urlaubsschein voor vier weken uit en Jacques mag naar Rotterdam om aan te sterken. Op 4 april 1945 vertrekt zijn trein. Met tussenstops in Hildesheim, Bremen, Oldenburg en Leer bereikt hij Nieuweschans. In Groningen regelt het Roode Kruis een plek op een sleepboot voor Jacques. Na een spannende tocht op het IJsselmeer, bereikt hij veilig Amsterdam. Daarvandaan fietst hij met een geleende fiets naar Rotterdam. In Overschie krijgt hij een lekke band en moet hij het laatste stuk met een kale voorvelg rijden. Op 14 april 1945, om 17:45 uur, bereikt hij de Dahliastraat. De vreugde is groot, er wordt zelfs een fles wijn opengemaakt. Veel vrouwen uit de buurt komen informeren of Jacques misschien iets weet over het lot van hun zoon of man. Na de oorlog trouwt Jacques en wordt hij vader.
Bron: Stadsarchief Rotterdam
Het leven tijdens de oorlog van Jacobus (Jacques) Broeders
1944Opgepakt bij de Razzia van Rotterdam
Bronnen
Dit zijn de bronnen die bij Oorlogsbronnen bekend zijn over deze persoon.
Razzia van Rotterdam en Schiedam
Ron Schuurmans maakte biografieën van de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam op 10 en 11 november 1944. Dit was de grootste razzia die de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft gehouden. Bij deze razzia zijn ongeveer 52.000 van de 70.000 mannen van 17 tot en met 40 jaar oud uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd.
Bekijk de bronAanbieder
Stadsarchief Rotterdam
Afbeelding van Jacobus (Jacques) Broeders
Ontbreekt een portretfoto, of kan je ons helpen met een betere afbeelding van Jacobus (Jacques) Broeders, dan kan je deze hier toevoegen. Ook is het mogelijk om de bestaande portretfoto beter bij te snijden.
Heeft u bezwaar tegen de vermelding van deze persoon?
Laat het ons weten door een e-mail te sturen naar info@oorlogsbronnen.nl



