
Oorlog.
‘Ik werk halve dagen op kantoor, post komt haast niet meer binnen. Vanaf morgen rijden er geen trams meer tussen 10 en 4. Cafés en restaurants mogen geen gas en elektriciteit meer gebruiken. Dat beteekent dat de zaken wel kunnen sluiten en ook vader binnenkort op straat staat,’ schrijft de negentienjarige Carolina van der Lugt in 1944, kort voor de Hongerwinter. Thuis, bij haar ouders aan de Amsterdamse Hoofdweg, houdt ze de hele oorlog een dagboek bij en beschrijft ze gebeurtenissen als de Februaristaking in 1941: ‘Staking. Fabrieken werken niet meer, trams gaan niet meer. Ik moest een boodschap doen op het Damrak, liep de Kalverstraat door tot de Dam, maar verder kon ik niet. Ze schoten op de Dam reusachtig! De Duitsers gooiden met handgranaten en een lawaai! Er zijn weer heel wat doden gevallen. Dit alles is voor protest tegen de jodenbehandeling: daarom staakten ze, maken relletjes.’ In 1943 komt die ‘jodenbehandeling’ uitvoerig aan bod: ‘’s Nachts gaan er een paar duizend weg. Mannen, vrouwen, kinderen. Vreselijke drama’s moeten zich daar afspelen. Ze gaan naar het Hollandse Museum en worden daar ’s nachts om een uur of 2 afgehaald met de tram en gaan naar het Centraal Station. Dan naar Polen of Duitsland.’ In juli 1943 ziet ze op haar werk, het Rijksbureau voor de Grafische Industrie, hoe Amsterdam-Noord wordt gebombardeerd door de geallieerden: ‘’s Ochtends ¼ voor negen (ik zat al op kantoor) huilalarm. We hoorden knallen, zagen in de buurt van het Centraal Station rook opstijgen. Wij allen als razenden ons boeltje bij elkaar gepakt en de trap af gerend (We zitten n.l. 5 hoog). Daar gestaan tot het luchtalarm afgelopen was. Zoo 3x die ochtend. Het overkant van IJ is echter goed gebombardeerd. Doel was zeker de Fokker te treffen. Er zijn wel 300 doodden.’
- Lugt, C. van der
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2194
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer







