
Engel, C.H.
‘Er staat bijna geen boom meer in Wormerveer,’ schrijft de dertienjarige Cor Engel ten tijde van de Hongerwinter over zijn woonplaats, een gemeente in Noord-Holland, gelegen aan de Zaan. ‘’s Middags ben ik met mijn opa, oma, moeder naar de spoorbaan gegaan in de hoop, dat we nu misschien een biels konden krijgen. De werklui waren nergens meer te zien, maar iedereen was aan het proberen een biels weg te slepen. Maar het was niet zo erg gemakkelijk. Men moest eerst het grint wegspitten, daarna met een lichter oplichten en zo over de rials wegtrekken en slepen. Daar wij geen lichter bezaten en geen schop bij ons hadden gingen we een eindje verder kijken.’ In Wormerveer woont de HBS-scholier met zijn familie op een boerderij: ‘Er is veel ondergelopen land, want de laatste twee maanden is er bijna geen dag voorbijgegaan of het regende. Het heeft nog nooit zo geregend sinds 80 jaar.’ Ook in de Zaanstreek is enorme schaarste aan voedsel en brandstof: ‘Altijd dat vervelende trap-naaimachinelichtje. We hadden zelfs hoop, dat we de hele avond met goed licht konden zitten. Plotseling echter begon het licht te flapperen en uit was het. Dus toen konden we nog niet goed lezen. Om kwart voor acht ging het licht weer aan. Opnieuw was er hoop. Vijf minuten later floepte het weer uit.’ Het eten van de Centrale Keuken verslechtert met de dag: ‘De kippen lusten het geeneens.’ Een verhaal over het nabijgelegen Amsterdam, waar de situatie nog veel slechter is dan in de Zaanstreek, maakt diepe indruk op de jonge Cor: ‘Er zaten twee meisjes in een portiek. De bewoners kwamen thuis maar de meisjes wouen niet weggaan, 3 uur later zaten ze er nog. Toen de bewoners gingen kijken, bleek dat er één al dood was en de ander bewusteloos.’
- Engel, C.H.
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2191
- Hongerwinter
- Bevrijding
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer










