
Rotterdam
Het dagboek van Georgine Henriëtte van Slooten is tijdens de oorlog herschreven, waarbij passages over onderduikers zijn weggelaten.<br/>Bevat kopieën van brieven uit de periode april 1941 - april 1942 van Johan Willem van Slooten, oftewel Sjoo, de oudste zoon van het Rotterdamse gezin Van Slooten. Veelal gericht aan ‘Pappa, Mamma, Taja en Ta’, en een enkele keer aan zijn vriendin Aleida, zijn ze geschreven in het Oranjehotel in Scheveningen, waar hij de dagen schakend en filosofie studerend zegt door brengen. ‘De behandeling is hier goed,’ aldus Sjoo eind 1941. ‘Je krijgt op je tijd je eten en drinken en dat is allemaal tamelijk goed toebereid.’ Maar in dezelfde brief schrijft hij ook: ‘Eergisteren hebben we onze beschuldiging gekregen: met 33 anderen werden we ervan beticht inlichtingen bestemd voor den vijand verzameld te hebben, althans getracht te hebben. Het was wel in het Duits gesteld en de juiste zin weet ik niet meer, maar daar kwam het op neer.’ Volgens hem zijn de Duitsers tijdens het verhoor ‘heel beleefd en voorkomend. Zelfs allerlei dreigementen, zoals b.v. ,,anders zullen we represaillemaatregelen moeten nemen t.o.v. uw familie en kennissen’’, worden heel beleefd onder het genot van een sigaartje en een kopje koffie gezegd. Tommy dreigden ze zelfs met het opsturen van vrouw en kind naar een Duits concentratiekamp, maar altijd met de grootste beleefdheid en rust.’ Maar beleefd en rustig of niet, op 26 april 1942 schrijft Johan Willem, alias Sjoo, zijn familie voor de laatste keer. Een week later, dus op 3 mei 1942, wordt hij gefusilleerd in Sachsenhausen in Duitsland.
- Slooten, G. H. van
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2060
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer





