
Rijn, D.M.J. van
‘Om 9.30 op Zondag 11 Februari zijn wij de grens bij Nieuweschans gepasseerd. Dit was voor ons allen een ontzettend treurig iets,’ schrijft Dick van Rijn, die, samen met 40 andere jongemannen, naar Duitsland wordt getransporteerd: een reis die twee dagen eerder, op vrijdag 9 februari 1945, begint ‘in een veewagen op de veelading’ in Deventer. ‘Het huilen stond mij toen nader dan het lachen en heb ik nog heel erg aan thuis en mijn vrouw gedacht, ook omdat wij nog steeds niet konden denken dat wij de streep over zouden gaan. Wij hebben toen op verschillende stations in Duitschland staan wachten.’ Het is kort voor de bevrijding. In het kader van de arbeidsinzet worden de mannen tewerkgesteld in de zwaar door de geallieerden gebombardeerde stad Maagdenburg: ‘Er vielen behoorlijk wat bommen en verschillende delen van de stad stonden weer in brand. Wij moesten toen uitrukken naar een pand waar 14 gewonden waren. Later bleek, dat er 2 gewonden en de rest doden waren.’ In Nederland (waar precies is onbekend) laat Dick zijn echtgenote achter, ze is verwachting van hun eerste kind: ‘Ik was weer in een zeer temieden stemming en lag op mijn bed te kijken naar onze bruidsfoto en zag jou, lieve vrouw daar lachen, omdat je gelukkig was. Nu is dat voorbij en ben je niet gelukkig meer, omdat je man zoo dom is geweest. Alles mijn schuld vrouwtje. Ik beken het eerlijk. Ik ben dom geweest. Ik was met recht zooals jij schreef eenmaal een jongen van een jaar of twaalf en geen man zooals ik dacht dat ik was.’ Wat dan volgens hem zo dom en zijn eigen schuld is geweest, wordt in het dagboek niet verteld. Na de oorlog heeft Dick van Rijn nooit iets willen vertellen over wat hij in Duitsland heeft meegemaakt.
- Rijn, D.M.J. van
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2240
- Arbeidsinzet
- Repatriëring
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer










