
Massizzo, R.
‘Anton kwam binnen, viel languit in de kamer. Hij was even helemaal weg. Na een kwartiertje was hij opgeknapt, maar nog niet fit. Alles vliegt door je bol op zo’n moment,’ schrijft Riet Massizzo (geboren 1917) aan het einde van de Hongerwinter. Zij en Anton wonen met hun zoontjes Peter en Ton, kleuters nog, in de Pippelingstraat in Den Haag. ‘Vanmorgen te beroerd om op te staan. Ik loop al 14 dagen met een kou, bij onze tocht naar het Westland opgelopen. De jongens in de grote kinderwagen. Bij Naaldwijk begon het te regenen.’ Eerder die winter zagen Anton en een buurman op straat een boom om: ‘Twee helden. Eerst overal geneusd, tenslotte als dieven hun slag geslagen op de Mient. Een boom van zes meter naar huis gesleept! Takken naar binnen, de kachel aan. Als het goed wil, kunnen wij een week eten koken!’ De avonden, waarop Riet zich te pletter verveelt, zijn het naargeestigst: ‘Alle gemak en ontspanning is weg. Wat je naait is oud en rommel. Breien net zo. Moet je nog op een draadje garen letten. Geen lichtje kun je meer aandoen. De jongens lastig en ongedurig, omdat ze niets hebben of mogen. Bah! Je hele kuip stinkt naar eten koken!’ Eenmaal gaat ze de stad in met vriendin Nita: ‘Is niets aan. Nergens licht. De zaken donker en doods. In de Bijenkorf een uur gezeten voor een bord soep en een slatje!’ In april 1945, met de bevrijding in zicht, is het met de schaarste nog niet gedaan: ‘Het leven gaat weer open! Voor de kinderen, die niets kennen van genieten. Er is niets meer! Geen stroom, gas, licht, kolen, garen, kleren, eten, water, zeep. Hoe je het volhoudt is een raadsel, maar we zullen volhouden en sterk zijn. Hoera de vrede is in zicht!’
- Massizzo, R.
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2286
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer




