(0394-01) Gemeentelijke Reinigingsdienst en Vervoerscentrale Den Haag
Administratie en boekhouding: In de periode voor 1919 was de administratie zeer beperkt van omvang. De verantwoording van de financiële uitkomsten geschiedde middels de gemeenterekening. Alle door de dienst gedane uitgaven (lonen o.a.) werden periodiek per voorschotrekening met de gemeenteontvanger verrekend. De boekhouding bleef beperkt tot de kasboekhouding. In januari 1919 werd een bedrijfsboekhouding ingevoerd. Hierdoor werd de comptabele administratie op een hoger plan gebracht. Verder werd door toepassing van vastgestelde afschrijvingspercentages op de activa een nauwkeuriger verdeling van de kapitaallasten over de verschillende dienstjaren verkregen, en werd bereikt, dat het bedrag in de gemeenterekening onder het artikel "Vergoeding door de gemeente voor de uitvoering van de reinigingsdienst" verantwoord werd.Doordat de afdoening van personeelsaangelegenheden door de verschillende overheidsmaatregelen op sociaal gebied meer speciale aandacht vereiste, werd een afdeling arbeidszaken gecreëerd. In de periode voor 1919 kregen de werklieden geen aanstelling, wat bij de inwerkingtreding van de pensioenwet de nodige moeilijkheden gaf. De werknemers werden tot in de beginjaren van deze eeuw erg slecht betaald. Uit het verzamelde afval mochten zij tot 1 januari 1908 goederen zoeken, die zij ten eigen bate konden verkopen om op die manier hun weekloon wat aan te vullen. Bovendien werd een afzonderlijke afdeling ingesteld voor het archief en de correspondentie. Geschiedenis: In de gemeenteraadsvergadering van 3 december 1906 werd een Commissie van Bijstand in het beheer van de Openbare - sinds 2 december 1912 Gemeentelijke - Reinigingsdienst benoemd. Zij bestond uit een voorzitter, die lid was van het College van Burgemeester en Wethouders, en vier leden, die lid waren van de Gemeenteraad. De leden traden jaarlijks in september af en waren herkiesbaar.De commissie moest toezien of de verordeningen en instructies die op de Reinigingsdienst betrekking hadden goed werden nageleefd. Vóór 15 juli moest zij de voorstellen voor de begroting indienen, en zij moest rapport aan het College van Burgemeester en Wethouders uitbrengen betreffende de aankoop van goederen en de uitvoering van werken. Archief: Het archief bevond zich in de kelder van het hoofdgebouw aan de Brouwersgracht en werd in september 1975 naar het Gemeentearchief overgebracht. Het grootste gedeelte bestaat uit correspondentie.Het correspondentie-archief kan men indelen in vijf perioden:1) 1871-1907 In deze periode werd het agendastelsel gebruikt; De stukken werden (chronologisch) op nummer geordend.2) 1908-1911 In deze periode werd het indicateurstelsel gebruikt; De correspondentie werd gesplitst in correspondentie met de gemeente en met particulieren.3) 1912-1918 In deze periode werd weer het agendastelsel gebruikt en de stukken (chronologisch) op nummer geordend.4) 1919-1920 In deze periode werd het indicateurstelsel gebruikt. Door de reorganisatie en uitbreiding van de dienst nam de administratie in omvang toe, zodat men de stukken per onderwerp ging opbergen. De stukken hebben in deze periode per jaar nog geen vast nummer per onderwerp.5) 1921-1945 Net als in de vorige periode gebruikte men weer het indicateurstelsel, alleen hebben de stukken, in tegenstelling tot de vorige periode nu per jaar wel een vast nummer per onderwerp. Naast de indicateur heeft men nog een systematische index gemaakt op fiches. Elk stuk kreeg per onderwerp een fiche.Na 1945 is men op een nieuwe trefwoordenindex overgegaan, zodat de correspondentie 1871- 1945 een afgerond geheel vormt. Verschillende pakken correspondentie waren door vocht en schimmels zodanig aangetast, dat ze niet meer geraadpleegd konden worden. Restauratie zou voor deze tamelijk onbelangrijke stukken te kostbaar worden, derhalve zijn deze pakken vernietigd. Zie voor de vernietigde archiefstukken bijlage II. Dit verklaart de hiaten in de correspondentie, met name voor de periode 1921-1945. Ook de boekhouding vertoont hiaten; bij de serie grootboeken ontbreekt de periode 1900-1929.Bij het archief werden archivalia aangetroffen afkomstig van de ambtenaren- en werkliedencommissie, van de Nederlandsche Vereeniging van Luchtbescherming afdeling 's- Gravenhage en van de harmonie van de reinigingsdienst D.M.V (Door Muziek Verbonden). Geschiedenis: Tot aan het einde van de 17e eeuw was het met de reinheid van de Haagse straten droevig gesteld. Het was toen gewoonte om bedrijfsafval (slagersafval, visafval) overal waar men het maar kwijt kon te deponeren, zoals op de openbare weg, het erf en in de grachten. Het dagelijks afval (huisvuil) werd eveneens op straat gegooid of in de Beek, die door het Noordeinde en de Hoogstraat naar de vijver en de grachten van het grafelijk slot stroomde. In 1683 nam de magistraat het besluit om het afhalen van as en vuilnis te verpachten ("Octroie bij de Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland ende West-Friesland van 25 februari 1683"). De inwoners moesten een aparte belasting, het zogenaamde as- en vuilnisgeld betalen. De verzorging en de netheid kwam bij de pachters niet op de eerste plaats; zij waren er voornamelijk op uit om zoveel mogelijk voordeel voor zichzelf te behalen.Dit was een van de redenen waarom B & W besloten om de reiniging op 18 oktober 1870 in eigen beheer te nemen. De andere reden was, dat het gemeentebestuur zich met name t.o.v. compostbereiding grote winsten t.b.v. de gemeentekas had voorgesteld, zoals in Groningen het geval was. Alleen verloor men uit het oog, dat de landbouwtoestanden in de omgeving van Den Haag erg verschilden met die van Groningen (o.a. kwam dit doordat Den Haag niet aan een groot vaarwater lag zodat de compost niet naar verder gelegen landbouwgronden vervoerd kon worden). In plaats van winst bracht de mestlevering verlies. Op 1 juli 1871 trad de dienst in werking. Het kantoor was oorspronkelijk gevestigd aan de Varkenmarkt, vanaf 1902 tot begin 1911 op de Prinsegracht en op 15 januari 1911 verhuisde de dienst naar de Brouwersgracht 2.Als primaire taak van de gemeentelijke reiniging moet worden gezien:1. het schoonhouden van de openbare weg (vegen en sproeien).2. het ophalen en verwijderen van het door de bevolking aangeboden huisvuil.Daarnaast heeft de reinigingsdienst vele taken vervuld zoals:1) de ontsmettingsdienst 1910-1931, die belast was met a) de administratie van de aangiften van besmettelijke ziekten b) het aanhechten en afnemen van kenmerken van besmettelijke ziekten aan woningen c) het vervoer van lijders aan besmettelijke ziekten d) het ontsmetten van woningen en goederen e) het vervoer van onbekende lijken f) de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van besmettelijke ziekten. In 1931 werd deze dienst aan de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheids Dienst overgedragen.2) de schoonmaakdienst 1918-1923, die belast was met a) de dagelijkse schoonmaak van lagere scholen b) de regeling van en het toezicht op de dagelijkse schoonmaak van middelbare scholen en andere gemeentegebouwen, met uitzondering van de gemeentelijke bedrijven c) grote schoonmaak van bovengenoemde gebouwen (het witten enz.). Op 1 dec. 1922 werd in de Raad besloten deze dienst op te heffen. De zorg voor de netheid werd overgelaten aan de beheerders van de gebouwen, die onder hun verantwoordelijkheid de schoonmaakwerkzaamheden lieten uitvoeren door schoolbedienden of conciërges. Met het algemeen toezicht werd de Dienst voor gemeentewerken belast.3) de warmwatervoorziening. In de jaren 1917-1918 werd i.v.m. de energie-schaarste tegen vergoeding van enkele centen warm water aan de ingezetenen verstrekt.4) faecaliëndienst. De huizen die niet op de riolering waren aangesloten hadden of een beerput of een privaatton. Het aantal beerputten bedroeg in 1907 nog 1300 tegen 200 in 1945. Het schoonmaken van deze beerputten geschiedde door de dienst. De privaattonnen werden met de tonnenwagen (boldootwagen) opgehaald.5) het schoonhouden van openbare urinoirs.6) sneeuwruimen, gladheidsbestrijding.7) rattenbestrijding. Archief: Het archief bestaat voor het grootste gedeelte uit series notulen en correspondentie, die chronologisch zijn geordend. De notulen lopen door tot 1921, terwijl de andere stukken als eindjaar 1916 hebben. De Commissie bestaat heden ten dage nog, nu als onderdeel van de Commissie voor Economische Zaken. Organisatie: De organisatie van de dienst was van de oprichting (1871) tot 1906 gebrekkig. In deze periode bestonden geen afgeronde wijken voor de ophaaldienst noch voor de veegdienst. In 1906 werd de stad verdeeld in secties van 2 1 km . In elke sectie werd een opzichter aangesteld, die met de dagelijkse leiding belast was. Hij werd bijgestaan door twee voormannen, een voor de ophaaldienst en een voor de veegdienst.In 1912 werd de eerste vuilnisauto in gebruik genomen. Na de eerste wereldoorlog ging men o.a. in verband met het nijpend voedseltekort voor de paarden over van paardentractie op autotractie. In de jaren twintig kwam er door de uitbreiding van de stad een reorganisatie in drie districten: West, Oost en Scheveningen.Elk van deze districten had een eigen afdelingsdepôt voor het rollend materieel.Ook had elk district een chef, die met de dagelijkse leiding van de dienst in zijn district belast was. De vuilafvoer onderging in 1918 i.v.m. de energieschaarste een verandering. Tot dat jaar werd het vuil per schuit afgevoerd. In 1918 ging men over tot het verbranden van grof vuil in een noodvuilverbrandingsinstallatie, welke tot 1950 in gebruik is gebleven. In 1932 begon men met het vervoeren van vuil door de Vuil Afvoer Maatschappij naar Wijster in Drenthe.
- L.J.A. Pennings en R.U.O.S. Spiekerman (1979); R. Grootveld (1987)
- Archieven Haags Gemeentearchief
- archief
- 0394-01
- Gezondheidszorg
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer