H. Spijkerman: Pa's dagboekje
’Indien mij iets overkomt wordt de vinder van dit boekje verzocht dit aan bovenstaand adres in Groningen te sturen,’ krabbelt H. Spijkerman met potlood voorin zijn kleine zakagenda. Van eind 1944 tot de bevrijding is hij tewerkgesteld in Duitsland en Polen. Over de werkzaamheden, in de oorlogsindustrie, schrijft hij nauwelijks, maar wel over de erbarmelijke omstandigheden in het algemeen: ‘Zondag 28 januari 1945 vertrokken uit Löbau naar Regensburg. In goederenwagons, waarvan de ramen kapot waren. Terwijl het 23 graden vroor en met een flinke snijdende wind. Alles stond op elkaar gepropt vanwege de vele vluchtelingen uit Glogau enz. Vele vrouwen en kinderen kwamen doodgevroren op de stations aan. Zelfs de voor- en achterbalcons waren volgepropt. Zulk een reis vergeet men nooit meer.’ Twee maanden later schrijft hij over de aan de Donau gelegen stad Regensburg: ‘6.00-6.30 uur voor-alarm. 11.00-12.00 uur lucht-alarm. Om 13.10 uur begon de grootste terreuraanval tot nu toe op Regensburg ondernomen. De resten van het station branden uit terwijl het spoor totaal vernietigd werd.’ Na een opsomming van vol- en luchtalarmen in zijn zakagenda is hij op 16 april ‘nog nooit zo dicht bij de dood geweest als vandaag. Waren met veldwagen op weg naar verplegingshuis toen de aanval begon, nadat we de paarden hadden aangespannen. Lig in de bommenregen. De paarden rukten zich van mij los terwijl ik mij liet vallen tegen een muur aan, waar een bom op ca. 20 m afstand insloeg. Steeds kwamen meer golven, steeds over ons heen en steeds meer bommen naar onder terwijl we nergens heen konden. Nu weet ik wat het is als je de dood in de ogen moet zien.’ Maar dan is het 25 april 1945, ‘de mooiste dag van mijn leven. Het gezicht van de eerste bevrijders. Niet te beschrijven wat wij op het ogenblik voelen.’ ’Indien mij iets overkomt wordt de vinder van dit boekje verzocht dit aan bovenstaand adres in Groningen te sturen,’ krabbelt H. Spijkerman met potlood voorin zijn kleine zakagenda. Van eind 1944 tot de bevrijding is hij tewerkgesteld in Duitsland en Polen. Over de werkzaamheden, in de oorlogsindustrie, schrijft hij nauwelijks, maar wel over de erbarmelijke omstandigheden in het algemeen: ‘Zondag 28 januari 1945 vertrokken uit Löbau naar Regensburg. In goederenwagons, waarvan de ramen kapot waren. Terwijl het 23 graden vroor en met een flinke snijdende wind. Alles stond op elkaar gepropt vanwege de vele vluchtelingen uit Glogau enz. Vele vrouwen en kinderen kwamen doodgevroren op de stations aan. Zelfs de voor- en achterbalcons waren volgepropt. Zulk een reis vergeet men nooit meer.’ Twee maanden later schrijft hij over de aan de Donau gelegen stad Regensburg: ‘6.00-6.30 uur voor-alarm. 11.00-12.00 uur lucht-alarm. Om 13.10 uur begon de grootste terreuraanval tot nu toe op Regensburg ondernomen. De resten van het station branden uit terwijl het spoor totaal vernietigd werd.’ Na een opsomming van vol- en luchtalarmen in zijn zakagenda is hij op 16 april ‘nog nooit zo dicht bij de dood geweest als vandaag. Waren met veldwagen op weg naar verplegingshuis toen de aanval begon, nadat we de paarden hadden aangespannen. Lig in de bommenregen. De paarden rukten zich van mij los terwijl ik mij liet vallen tegen een muur aan, waar een bom op ca. 20 m afstand insloeg. Steeds kwamen meer golven, steeds over ons heen en steeds meer bommen naar onder terwijl we nergens heen konden. Nu weet ik wat het is als je de dood in de ogen moet zien.’ Maar dan is het 25 april 1945, ‘de mooiste dag van mijn leven. Het gezicht van de eerste bevrijders. Niet te beschrijven wat wij op het ogenblik voelen.’ Bevat officiele brieven en andere persoonlijke stukken.
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek (zakagenda)
- 2046
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer