Lieuwe van Oostrum: Van Vrijdagavond 11 uur tot Zaterdagmorgen 11 uur, van 8 op 9 Oct. 1943
De auteur vlucht bij het horen van de sirenes met een koffertje de schuilkelder in. Het bombardement begint. Hij is in Hannover. Naast hem in de kelder zit een jonge vrouw met kind, hijzelf staat. Niemand zegt een woord, allen luisteren naar het fluiten en exploderen van de bommen. Er vliegt een brandbom tot voor de ingang van de kelder en ze blussen met zand. Dit is in bergen aanwezig. Men zet zijn gasmasker op voor de stinkende rook. Het zijne zit in zijn koffer. Het licht gaat langzaam uit. Binnengekomen mannen van de luchtbescherming vertellen dat buiten alles rood door vuur is. Overspannen vrouwen en gewonde kinderen worden binnengedragen. De onrust wordt daardoor groter. Na twee uren wordt het rustiger, daarna helemaal rustig. Terug bij zijn huis ziet hij dat dit nog overeind staat. Er moet geblust worden met emmers water, de waterleiding is gesprongen. Hij gaat op weg naar de zaak in de Cellerstrasse, waar meer Nederlanders werken, maar kan deze niet bereiken. Hij vertelt wat hij onderweg ziet en meemaakt. Thuisgekomen gaat hij naar bed. Zijn kamer hangt vol rook. Als hij wakker wordt gaat hij weer op weg naar de zaak, die volkomen uitgebrand is. Hij loopt een eind de brandende stad uit tot Hodenhagen. De auteur vlucht bij het horen van de sirenes met een koffertje de schuilkelder in. Het bombardement begint. Hij is in Hannover. Naast hem in de kelder zit een jonge vrouw met kind, hijzelf staat. Niemand zegt een woord, allen luisteren naar het fluiten en exploderen van de bommen. Er vliegt een brandbom tot voor de ingang van de kelder en ze blussen met zand. Dit is in bergen aanwezig. Men zet zijn gasmasker op voor de stinkende rook. Het zijne zit in zijn koffer. Het licht gaat langzaam uit. Binnengekomen mannen van de luchtbescherming vertellen dat buiten alles rood door vuur is. Overspannen vrouwen en gewonde kinderen worden binnengedragen. De onrust wordt daardoor groter. Na twee uren wordt het rustiger, daarna helemaal rustig. Terug bij zijn huis ziet hij dat dit nog overeind staat. Er moet geblust worden met emmers water, de waterleiding is gesprongen. Hij gaat op weg naar de zaak in de Cellerstrasse, waar meer Nederlanders werken, maar kan deze niet bereiken. Hij vertelt wat hij onderweg ziet en meemaakt. Thuisgekomen gaat hij naar bed. Zijn kamer hangt vol rook. Als hij wakker wordt gaat hij weer op weg naar de zaak, die volkomen uitgebrand is. Hij loopt een eind de brandende stad uit tot Hodenhagen.
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Verslag (geel A4 doorslagpapier)
- 1716
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer